Dankjewel, juf/meester!

Het einde van het schooljaar is weer in zicht. Hier is het nog even wachten op de rapporten van onze dochters, maar toch wil ik van de gelegenheid gebruik maken om alle leerkrachten, juffen en meesters eens ferm in de bloemetjes te zetten. Ook om wat tegengewicht te bieden tegen alle klaagzangen die er de laatste weken weer over het Vlaamse onderwijs en de leerkrachten werden gehouden. Ook dat is typisch voor deze periode: het einde en het begin van het schooljaar zijn traditioneel de periodes voor een rondje onderwijs-bashen.

Als vrouw van een leerkracht, als dochter van twee leerkrachten en als mama van twee prachtige leerlingen heb ik dagelijks met het onderwijs te maken, in al zijn vormen. Het doet me telkens opnieuw weer pijn als ik de artikels en columns lees over het onderwijs en vooral de reacties eronder. Blijkbaar hebben we allemaal onze mening klaar over hoe het precies moet, over wat beter kan en willen we vooral “de leerkrachten” toch wel eens graag een pak harder zien werken. Trek je dat toch niet aan, zegt de echtgenoot dan telkens weer, maar het raakt me. Ik woon en leef samen met  één van de geviseerde leerkrachten. Ik zie hoe hij zich elke dag opnieuw met hart en ziel inzet voor zijn leerlingen. Ik zie hoe hij nooit uren telt. Ik ben erbij als hij avond na avond doorwerkt of op zondag – telkens opnieuw – verbeterwerk inhaalt of zijn lessen voorbereidt.

Ik heb bij mijn dochters vele dergelijke leerkrachten gezien. Mensen die met passie lesgeven, die leerlingen telkens opnieuw proberen te boeien voor hun vak. Die manieren vinden om hun vak (ook al gaat het om wiskunde, fysica, Frans of godsdienst) aantrekkelijk te maken voor een bende 16- of 13-jarige pubers. Die tijdens hun middagpauze de tijd nemen om leerlingen bijles te geven. Die zich inzetten voor de vele naschoolse activiteiten of buitenlandse reizen. Die de tijd nemen om naar hun leerlingen te luisteren. Die het zich aantrekken als hun leerlingen omwille van een moeilijke thuissituatie, een bittere scheiding of pestgedrag op school, niet aan studeren toekomen. Die opgelucht zijn als een leerling alsnog erin slaagt om dat ene tekort van Kerstmis recht te zetten op het einde van het jaar. Die soms moeilijke beslissingen moeten nemen, maar altijd met aandacht voor de leerling.

Natuurlijk zijn leerkrachten ook maar mensen, die wel eens fouten maken. Natuurlijk zijn er ook leerkrachten die “hun uurtjes komen doen” en in het onderwijs staan voor “het vele verlof”. (Al denk ik dat er makkelijker manieren zijn om je dagen te vullen dan elke dag weer voor een klas pubers te gaan staan, zeker als je niet al te veel tijd wenst te spenderen aan een degelijke voorbereiding – en dat het vele verlof die moeilijke confrontaties niet bepaald compenseert.) Maar dat is in elke job zo. Kijk maar eens goed rond in je bedrijf of in je fabriek: ik denk dat je zo de namen kan opnoemen van de harde werkers en van hen die er met de pet naar gooien. Of van degenen die veel praat hebben, maar er telkens opnieuw onderuit muizen als die praat ook in daden moet omgezet worden… Is dat dan een reden om bijvoorbeeld de advocaten, de bouwvakkers, de arbeiders, de bedienden of anderen als groep publiekelijk te schande te zetten?

Lesgeven vergt veel, maar je haalt er absoluut ook veel voldoening uit. Zien tot wat jouw leerlingen uiteindelijk in staat zijn, hen doorheen de jaren zien evolueren, zien groeien, dat blijft voor veel leerkrachten het mooiste extralegale voordeel van hun job. Dat is de reden waarom ze elk jaar opnieuw vol goede moed aan een nieuw schooljaar beginnen, met nieuwe leerlingen en nieuwe klassen. Om een verschil te maken. Lukt het? Niet altijd, niet elk jaar, niet in elke klas, niet bij elke leerling. Maar toch proberen ze het. In mijn ogen worden ze schromelijk ondergewaardeerd. De grootste rijkdom van ons onderwijs zijn leraars die een verschil willen maken. Als ik zie wat voor fantastische leerkrachten mijn dochters dit jaar begeleidden, dan acht ik mezelf (en vooral onze dochters) ongelooflijk gelukkig. Want in het leven van mijn dochters is er dit jaar (opnieuw) een verschil gemaakt.

En daarom wil ik een grote dankjewel zeggen aan alle leerkrachten en aan die van de dochters in het bijzonder. Geniet van jullie welverdiende vakantie, het is jullie van harte gegund!

Goede leraars maken onderwijs top

Het Vlaams onderwijs is wereldtop. Dat bleek nog maar eens uit de PISA-resultaten voor 2015. Maar er zijn toch een paar kanttekeningen te maken: de kloof tussen de sterkste presteerders en de zwakste presteerders is nergens zo groot als in Vlaanderen. De groep van leerlingen die er niet in slaagt het minimale niveau te halen om in de maatschappij op eigen benen te kunnen staan, neemt toe. Bovendien hekelt econoom Geert Noels het feit dat de topscores jaar na jaar afnemen.

Dat er een probleem is in het Vlaamse onderwijs is, ondanks alle hoera-berichten, duidelijk. Er wordt ook niet voor het eerst een vinger op de wonde gelegd en al jaren wordt er geroepen dat “een grote onderwijshervorming” alle problemen zal oplossen. Waarop die hele onderwijshervorming verzandt in politieke discussies tussen voor- en tegenstanders van het ASO en dan weer voor jaren in de koelkast gestoken wordt.

Wat heel vaak ontbreekt in alle discussies, is de stem van de leerkracht zelf. Onderwijsspecialisten, pedagogen, politici, directies, koepels,… iedereen zal ook nu weer zijn stem laten horen over mogelijke (mirakel)oplossingen. Alleen hoor ik in de hele discussie nooit de leerkracht zelf. Hier en daar zie ik wel eens een lezersbrief in een krant opduiken, maar al gauw zie je de boodschap verloren gaan in discussies voor en tegen de werkdruk in het onderwijs (“amper” 20 lesuren en het vele verlof!). Nooit wordt er aan de vakspecialisten – die leerkrachten nochtans zijn – gevraagd hoe zij denken hun sterkere leerlingen beter te kunnen uitdagen of hun minder goed presterende leerlingen wensen te bereiken.

Sterk onderwijs staat of valt met goede leerkrachten, met gedreven vakspecialisten (met de nodige pedagogische vaardigheden) voor de klas. Voor sommige vakken is het al jaren een probleem om deze witte raven nog te vinden: zoek maar eens een master wiskunde, informatica, economie,… die nog in het onderwijs wil stappen. Geen marktconforme verloning, geen extralegale voordelen en een hoge werkdruk, gekoppeld aan jarenlange onzekerheid bij startende leerkrachten. Veelbelovende jonge leraars weten in juni vaak niet of ze in september werk zullen hebben. Hun persoonlijk leven staat al die tijd “on hold”: probeer maar eens een lening aan te gaan als je niet met zekerheid kan zeggen of en hoeveel werk je zal hebben de komende jaren.

Al jaren wordt er dan ook geroepen dat er iets zal gebeuren aan de “waardering” voor het beroep. Maar in de praktijk worden de klassen groter, wordt er alweer gepraat over al dan niet 2 uur extra lesgeven door de masters en zie je op het terrein zelf weinig of niets veranderen. De planlast, waar al jaren over gepalaverd wordt, is in al die jaren nog toegenomen.

En toch zie ik rond mij vooral heel gemotiveerde mensen die inzitten met hun leerlingen, die telkens opnieuw voor elke individuele leerling een verschil willen maken. Die thuiskomen en hun hoofd breken over die leerling met een problematische thuissituatie of die een hele avond zoeken naar een betere manier om die paar studenten met hun diverse leermoeilijkheden beter te kunnen helpen. Ik zie hen nadenken over een betere manier van lesgeven, over nieuwe lesinhouden, over hun evaluatiemethoden, over overkoepelende opdrachten. Ik zie klastitularissen samen met hun klas ideeën uitwerken voor hun kersthappening of hun actie voor anderen. Ik zie mensen die zichzelf en hun manier van werken constant in vraag stellen, die elke dag het beste van zichzelf proberen te geven. Ik zie idealisten die hun leerlingen respect, begrip, kritisch denken en liefde voor hun vak proberen mee te geven. Ik heb er ontzettend veel bewondering voor. Het is geen gemakkelijke opdracht. Een mindere dag kan je je niet permitteren. Je moet er elke dag opnieuw staan.

Onderwijs is veel meer dan een verhaal van structuren, het is vooral een verhaal van mensen. Van mensen die proberen, hun best doen en daar wel wat meer steun en waardering voor mogen krijgen. Van de maatschappij. We kopen wel massaal bloemetjes en cadeautjes om de juf of meester van onze kinderen op het einde van het schooljaar te bedanken maar gaan tegelijkertijd ook massaal via reacties op sites of Twitter “de luie leerkrachten” op hun nummer zetten.

Maar steun en waardering moet ook en vooral komen van hun koepels, hun vakbondsorganisaties, hun politieke vertegenwoordigers en hun minister. Maak nu eindelijk het beroep van de leerkracht weer aantrekkelijk: geef hen de middelen om hun job naar behoren te doen: maak de klassen kleiner, verklein de planlast, laat leerkrachten les geven. Doe iets aan het onzekere statuut van de startende leerkrachten, zorg voor voldoende begeleiding, geef zij-instromers een eerlijke kans en luister nu eindelijk eens naar de vakspecialisten als het over de grote onderwijshervormingen gaat.

Het gaat over onze kinderen en over de toekomst van ons land. Het zijn keuzes die we als maatschappij moeten maken: hoeveel is goed onderwijs (voor àlle kinderen) ons waard? Gaan we de citroen nog wat verder uitpersen of willen we hier net extra in investeren? Zodat we de volgende keer bij de PISA-testen positief nieuws kunnen brengen over àlle leerlingen.

Een beetje mildheid, creativiteit en ideeën graag…

Woensdag ook de reportage van Pano gezien over onze kleuterscholen, over die moedige kleuterjuffen en meesters die met hand en tand een dertigtal kleuters nog iets proberen bij te brengen tussen de vele plas- en andere pauzes door? Over de kindjes die de namiddag amper overleven en in slaap vallen op een kussentje terwijl de juf een verhaaltje probeert voor te lezen? Over dat het “allemaal de schuld is van de (luie) ouders, die hun kinderen niet zindelijk naar school sturen en ze véél te vroeg naar school laten gaan terwijl ze duidelijk nog nood hebben aan hun middagdutje”?

Dat er toch ergens iets niet klopt als kindjes tot hun 2 jaar, 5 maanden en 30 dagen in een crèche verblijven waar er verplicht 1 kinderverzorgster is per 7 kindjes, maar vanaf hun 2 jaar en 6 maanden gerust in een klasje kunnen gaan zitten waar er amper 1 kleuterjuf is voor een groep tot (maximum?) 30 kindjes. Gelukkig  krijgt de kleuterjuf ook nog 2 halve dagen per week versterking van een kinderverzorgster (afhankelijk van het aantal leerlingen van de school uiteraard).

Dat we als ouders alweer het gevoel krijgen te falen in datgene wat we toch het allerbelangrijkste vinden in ons leven, de opvoeding van onze kinderen. Dat we zoveel MOETEN in ons leven dat we het niet meer gecombineerd krijgen. Dat we uitstekende ouders moeten zijn, een sexy, interessante én fitte partner en uiteraard de ideale werknemer. Die het bedrijf op de eerste plaats zet, overuren maakt en zijn economische waarde in stand houdt. Die niet weet hoe ze het aan haar kinderen moet uitleggen dat mama alweer een halfuurtje te laat is in de opvang. Die met het schaamrood op de kaken net voor (of net na) sluitingstijd de crèche binnengestormd komt – alweer. Het was een drukke week, maand, jaar.

Dat je dan amper nog tijd overhoudt voor je kinderen (en hun potjestraining). Dat je je sowieso schuldig voelt, altijd en overal. Dat je je telkens opnieuw voelt falen en er absoluut geen behoefte aan hebt om daar nog eens door een minister op gewezen te worden. Stiekem denk je dat zelf – veel te vaak – ook al.

De afgelopen jaren hebben de budgetten voor de scholen ook een besparingsoperatie ondergaan. De klassen werden zo alweer wat groter, maar dat schuift de minister wel eventjes onder de mat. We zetten in op jobs, jobs, jobs, maar er schiet niet voldoende geld over voor het onderwijs van onze kinderen zodat één kleuterjuf 30 kindjes moet opvangen. Het zou misschien nét iets minder problematisch zijn als de kleuterjuf 10 kindjes kon opvangen, waarvan er dan per klas misschien maar één of twee nog niet zindelijk waren. Dan zouden we ook jobs, jobs, jobs creëren en tegelijkertijd investeren in de toekomst van ons land in plaats van extra geld te laten wegvloeien in de zakken van rijke (buitenlandse) investeerders.

We kunnen ook andere beleidskeuzes maken. We hebben dringend nood aan een beetje creativiteit en nieuwe ideeën. We hebben leiders nodig met een visie op lange termijn: waar willen we met ons land naartoe? Welke keuzes maken we als samenleving? We moeten stoppen met beleid te voeren “om het budget van dit jaar in evenwicht te krijgen”, en dan volgend jaar het volgende tekort aanpakken met alweer korte termijn-plannen en snelle winsten, maar die onze maatschappij op lange termijn niets bijbrengen.

We hebben dringend nood aan een sterk sociaal weefsel en burgerinitiatieven. Moeten we echt een crowdfunding opstarten om voldoende kleuterjuffen of meesters voor de klassen van onze kinderen te krijgen? We zullen van onderuit ideeën moeten aanreiken en eventueel ook afdwingen – via alle mogelijke wegen. Moeten we net als een aantal ouders nu al doen ons land in gebreke stellen om (noodzakelijke) zorg af te dwingen voor onze kinderen, onze naasten?

img_7145En héél misschien – als we af en toe een beetje meer tijd zouden hebben – die we zelf kunnen indelen, misschien dat we dan ook nog eens creatief kunnen zijn. Zodat we met ideeën kunnen komen voor onze maatschappij. Misschien moeten we met zijn allen massaal van het rad springen waarin we allemaal samen doldraaien. Misschien dat we dan weer wat milder kunnen zijn, voor onszelf en voor elkaar. Misschien hebben we dan de tijd om eens op lange termijn plannen te maken, voor onszelf en voor onze kinderen. Misschien is het Femma-pleidooi voor een 30 uren-week wel een goed beginpunt voor een maatschappelijke discussie over een betere combinatie tussen alle rollen die je in je leven invult: als ouder, partner, kind, werknemer, vriendin…

Als we nu eens massaal grenzen beginnen te trekken. Tot hier en niet verder. Voor ons en voor onze kinderen. Wanneer beginnen we eraan?

Examenmodus on

studerenDe oudste heeft weer examens. Normaal gezien draait de leraar-echtgenoot op voor de examenshiften en neem ik de after-examen-party voor mijn rekening, maar dat lukt ditmaal niet. De echtgenoot zit momenteel niet in een proefwerkenperiode, maar beleeft gewone lesweken. Hij is er dus ’s namiddags niet (altijd) om samen met de oudste te studeren/verbeteren. En dus hebben we de examenshiften ditmaal verdeeld en springt de mama mee in.

Zo kwam ik maandagmiddag thuis, volledig klaar om morele en andere steun te bieden aan onze lustige leerder. Maar het bleek niet nodig. “Ik vind het eigenlijk leuker als ik alleen zit, want als er iemand in huis zit, dan hoor je al dat gebonk…” (Het geeft meteen een duidelijk beeld van wat wij allemaal uitspoken thuis… en het deed me onmiddellijk terugdenken aan toen ik nog een jongedame was en nog thuis woonde, waar mijn moeder het altijd “over een kudde olifanten had die over de trap denderden” als ik in mijn eentje naar mijn kamer de trap opliep). Enfin, de oudste was wel min of meer blij dat er gezelschap was “zolang ik maar geen muziek opzette”.

Aangezien ik dus niet nodig was voor de morele steun (ik had nochtans al mijn levenswijsheden en oppeppers van onder ’t stof gehaald) heb ik mezelf maar nuttig bezig gehouden: de bedden opmaken, strijken, eten koken, cake bakken (comfort food voor onze student)… Ik heb bergen werk verzet. Ik had ’s avonds dan ook spierpijn (een zittend leven, niks meer gewoon, je kent dat wel 😉 )

Ook al vindt zij het dus niet nodig, mijn verlof was al aangevraagd. Ze zit dus toch met mij opgescheept de komende week tijdens het studeren. Mijn huishouden kan er alleen maar wel bij varen. Dan heb ik tegen eind volgende week misschien wél het gevoel dat het terug allemaal een beetje overzichtelijk is…

Recht op foutjes, recht op falen?

De KU Leuven heeft besloten dat eerstejaars die te zwaar buizen, geen tweede kans krijgen, maar een nieuwe studierichting moeten kiezen. Toen rector Rik Torfs dat voorstel deed, vond ik het in eerste instantie nog begrijpelijk, “gezien de kost voor onze maatschappij die een bisjaar met zich meebrengt”.

Intussen zijn we een paar weken verder, is het voorstel regel geworden (toch aan de KU Leuven) en heb ik toch een paar bedenkingen. Ik ken immers een paar studenten die hun eerste jaar zwaar gebuisd waren. Te veel gefeest, niet kunnen omgaan met de nieuwe vrijheid, vaak ook geen degelijke studiemethode… Dat leidde tot een pijnlijke reality check op het einde van dat eerste jaar. Maar degenen die ik ken, zijn wel opnieuw begonnen. Ze hebben doorgezet en hebben hun diploma alsnog gehaald. Eén iemand heeft dat zelfs met glans gedaan, is later nog gaan doctoreren en is nu professor. Dat zullen allicht de uitzonderingen zijn, de minderheid,… Maar met het nieuwe voorstel worden zij wel de “collateral damage”.

Ook mijn studieloopbaan liep niet helemaal over rozen. Ik had een existentiële crisis in 1e licentie (Is dit het nu? Is dit de richting die ik met mijn leven uit wil?) die tot een thesisjaar leidde. Een jaar te veel. Ik heb dat jaar gewerkt om mijn studies te kunnen betalen. Ik heb daar veel uit geleerd. Dat niet alles vanzelfsprekend was, dat je ervoor moet werken als je echt iets wil. Maar ik had het wel nodig om met mijn kop keihard tegen de muur te lopen. Mijn “falen” heeft me veel bijgebracht.

Ik vind het eigenlijk een teken des tijds. We zijn zo streng geworden, zo hard voor mekaar. Nog een voorbeeldje: de discussie over hoe we gezin en job moeten combineren ontaardde in een welles-nietes tussen vrouwen onderling, waarbij de pot de ketel vanalles verweet. Als we solidair geweest waren en vooral gehamerd hadden op het feit dat alle vrouwen “de keuze” moeten hebben, dan zou het allicht meer indruk gemaakt hebben. Nu hebben we onze eigen ruiten voor een stuk ingegooid. Nu werd een terechte bekommernis van veel ouders nogal makkelijk onder de mat geveegd omwille van die onderlinge discussies.

En dat doen we wel vaker. Steeds meer Belgen geven hun buren aan bij de belastingdienst. Stakers verwijten niet-stakers egoïsme en omgekeerd. Waar is de solidariteit gebleven? Waar is het begrip voor elkaar gebleven? Moet dat eerst economisch afgewogen worden? Kunnen we ons “begrip” wel permitteren? Zijn we zeker dat zij het écht wel slechter hebben dan wij en op geen enkele manier van het systeem profiteren voor we willen meeleven? Zijn we nu echt allemaal zo kil en berekend geworden?

Moeten we dan echt allemaal perfect zijn? Mogen we geen fouten meer maken? Moet ons falen onmiddellijk bestraft worden? Hebben we geen recht op een tweede kans? Mogen we niet meer leren van onze eigen stommiteiten? Ik dacht dat onze jeugd bedoeld was om fouten te maken en daaruit te leren zodat je in je later leven daar de vruchten van kon plukken.

En dus vind ik het voorstel van de KU Leuven te ver gaan. Iedereen heeft het recht te falen, zolang je maar uit je fouten leert. Ik wil geen deel uitmaken van een maatschappij die perfectie tot de norm maakt. Ik herinner me nog heel goed dat een professor zijn eerste les begon met de woorden: “kijk eens goed naar uw collega links van u en uw collega rechts van u: één van beiden zit hier volgend jaar niet meer”.

Ik heb het wel gehaald, maar dat was me niet gelukt zonder de hulp van een hele groep medestudenten. We deelden samenvattingen, vragen, we legden elkaar moeilijke stukken uit, we spraken elkaar moed in en pepten elkaar op als het eens wat moeilijker ging. We lachten samen, we huilden samen, we deden het SAMEN. We waren solidair… Zo’n maatschappij wil ik voor mijn dochters…

Meer lesgeven voor dezelfde wedde?

En alweer komt het onderwijs in het vizier. Leerkrachten 2 uurtjes meer les laten geven voor dezelfde wedde? Wat kan daar nu op tegen zijn? Het bespaart ons jaarlijks liefst 80 miljoen euro

Beste minister van onderwijs, beste mevrouw Crevits,

Toen u aangesteld werd als minister van Onderwijs hebt u verklaard dat u het respect voor de leerkracht wilde herstellen. U wou zorgen voor een verlaging van de planlast en u zou iets doen aan de te vroege uitstroom van leerkrachten. Het was uw doel het beroep van leerkracht aantrekkelijker te maken. Toch ligt er nog geen twee maanden later een voorstel op tafel om leerkrachten tot 2 uur meer te laten werken voor dezelfde wedde.

Mag ik dat even concreet maken? Ik ben getrouwd met een master Nederlands-Engels. Momenteel geeft hij 20 lesuren aan in totaal 6 klassen. Zijn kleinste klas telt 16 leerlingen, in zijn grootste klas zitten 23 leerlingen.

Jaarlijks krijgen zijn leerlingen 6 rapporten. Per rapport vinden in de klassen van mijn man gemiddeld 6 evaluatiemomenten plaats. Toetsen (mondeling, schriftelijk), taken, schrijfopdrachten, leesopdrachten,… die uiteraard allemaal verbeterd moeten worden, van in totaal 122 leerlingen. Naast de voorbereiding van de lessen kruipen daar uiteraard heel wat uren in. In normale weken spreken we van zo’n 20 uur extra per week, in de examenperiodes loopt dat vlot op tot 30, soms 40 uur per week.

Daarnaast zijn er de extra vaste verplichtingen van een leerkracht:

  • klassenraden
  • deliberaties
  • vergaderingen vakgroepen Nederlands en Engels
  • personeelsvergaderingen
  • studie geven
  • (middag)toezicht

Nog een paar andere extra engagementen:

  • de Londenreis
  • de sportdag
  • diverse studiereizen
  • de “actie voor anderen”
  • de vormingsdag
  • het leerlingenconcert
  • het free podium op de opendeurdag
  • het afscheid van het zesde jaar
  • het galabal
  • de proclamatie van het zesde jaar
  • eventuele bijlessen tijdens de middagpauze
  • de verplichte bijscholingen

Het gaat dus niet om amper 2 lesuurtjes extra geven. Voor mijn man betekent dit een klas extra, dus meer verbeterwerk, meer voorbereidingen, meer (mondelinge) examens voor gemiddeld 20 leerlingen erbij. De vakgroep Nederlands van mijn man telt momenteel 16 leerkrachten. 5 ervan staan in de eerste graad,  5 ervan in de tweede graad (+5 lesuren voor een fulltime) en 6 ervan in de derde graad (+12 lesuren). Dat betekent dat één van de collega’s van mijn man van een voltijdse betrekking naar 3 lesuren terugvalt.

2 lesuurtjes erbij op 20 lesuren is een verhoging van 10%. Mijn man kan kiezen: of 10% meer werken voor hetzelfde loon of 10% loon inleveren voor dezelfde werkdruk. Vraagt u dezelfde inspanning dan ook aan de directies en de koepels in het onderwijs? Bent u bereid dat te doen? Toen deze vraag om loonmatiging aan minister-president Bourgeois gesteld werd, noemde hij ze populistisch…

Tegelijkertijd kan er geen sprake zijn van een progressieve vermogensbelasting van 3 à 4% op de hoogste inkomens… een maatregel die volgens econoom Paul De Grauwe nochtans 4 miljard euro zou opleveren… Ik begrijp dit niet.

Met vriendelijke groeten,

Vrouw van een leerkracht, lid van de middenklasse, moeder van twee dochters die binnen 5 jaar verder studeren en dus betalend voor ongeveer alle maatregelen die in jullie pijplijn zitten.

Kost onderwijs te veel ?

Leonardo Da Vinci

Leonardo Da Vinci

Deze week weer heel wat berichten/lezersbrieven in de pers over de te hoge kost van het onderwijs. Zo lagen deze week de zwemlessen en de veel te dure bos- of andere klassen en uitstappen zwaar onder vuur. Onterecht volgens mij, maar dat hangt natuurlijk samen met je visie op onderwijs.

Wat moet onderwijs opleveren? De laatste jaren – in de neoliberale visie – wordt er steeds vaker gesteld dat het onderwijs en het bedrijfsleven niet goed op elkaar afgestemd zijn. Scholen leveren immers geen kant en klare werknemers af. Vaak wordt daarbij verwezen naar de technische of beroepsleerlingen die niet de nodige technische vaardigheden onder de knie hebben én daarom eerst nog een intensieve opleiding in het bedrijf zelf moeten ondergaan. Ze zijn dus niet onmiddellijk inzetbaar. Wat overigens ook geldt voor de vele ingenieurs, dokters of godbetert de humane wetenschappers. Hun talenten hebben duidelijk nog wat bijschaving nodig in het bedrijfsleven. De ene al wat meer dan de andere…

Ik huiver eigenlijk een beetje van die (enge) visie op het onderwijs. In de renaissance diende onderwijs leerlingen op te leiden tot “uomi universali”, mensen die van alle markten thuis waren. Ontwikkelde mensen. En dat kan in mijn ogen enkel, als je je als leerkracht niet enkel richt op economische inzetbaarheid van je leerlingen, maar op de volledige ontwikkeling van lichaam en geest. Wil je dat bereiken, dan zijn zwemlessen, bosklassen, uitstappen,… een must. Leerlingen moeten doen, zien, beleven, denken…

Bovendien bieden de meeste scholen betaalbare alternatieven aan voor de (dure?) uitstappen. Op de school van mijn dochter ben je niet verplicht mee op reis te gaan. Wil je niet, moet je wel een alternatief programma op school volgen. Er worden ook verschillende reizen aangeboden, in verschillende prijsklassen en naargelang de interesses van de leerlingen. Ikzelf heb genoten van de kampen (vrijwillig) en de studiereizen op school. De Frankrijk- en Italiëreis waren om verschillende redenen memorabel. Met de vriendinnen op reis, zoveel nieuwe dingen te zien (onder deskundige begeleiding van de leerkrachten of plaatselijke gidsen), te smaken, te lezen, te ontdekken, (te shoppen)…

Is dit overbodige luxe? Volgens mij niet. Het heeft mij gemaakt tot wie ik ben. Het heeft mij onder mijn kerktoren doen uitkomen, het heeft mijn wereld op vele vlakken doen opengaan. Het heeft me leren denken, genieten, durven springen, mijn ogen te openen. Maar misschien is dat net wat niet thuishoort in de neoliberale visie. Misschien staan mijn denken, genieten, mijn open ogen, mijn “zijn” mijn “onmiddellijke economische return” wel in de weg en wordt het onderwijs net daarom zo onder vuur genomen?

Le message passe…

Het bericht Kennis Frans nog nooit zo slecht in de Gazet van Antwerpen deed me deze week in mijn chocolat chaud verslikken (koffie drink ik helaas niet). Verwonderen deed het bericht me allerminst, maar vrolijk word ik er niet bepaald van. Zeker niet toen ik de verklaring van de professor Franse taalkunde las: “de nadruk ligt te weinig op de grammatica”, te veel op het “leren spreken”. Dat heet in de moderne didactiek “het vaardigheidsonderwijs”.

Even wat persoonlijke info: ik ben licentiate Romaanse Talen. In een ver verleden heb ik dus Frans-Italiaans gestudeerd. Met volle overtuiging: ik was en ben dol op zowel Frans als Italiaans. De talen, de klankkleuren, de cultuur, de kunst, de manier van leven en eten, de literatuur, de muziek…

Toen mijn generatie in 1993 wel nog net de helft haalde op de testen uit het artikel, kregen we het niet gezegd. We hadden een goede basis qua vocabulaire en kenden de regeltjes van de Franse grammatica – we hadden met zijn allen zitten vloeken op de “conjugaisons” en vervloekten de in onze ogen onlogische Franse zinsbouw – maar we kregen het niet gezegd. Werden we in Wallonië of Frankrijk gedropt, dan stonden we te stamelen.

En dus kwamen de onderwijsdeskundigen met het vaardigheidsonderwijs als oplossing. Weg met het drillen van vocabulaire of grammatica, de nadruk werd gelegd op het leren spreken. Waar we vroeger eerst een basis aan woordenschat en grammatica erin gepompt kregen, moesten de leerkrachten de leerlingen nu onmiddellijk laten spreken. De bezwaren van de leerkrachten dat je moeilijk kan spreken als je geen basis hebt, werden onder de mat geveegd. Leerkrachten zijn immers bij uitstek conservatief en willen niet weten van verandering. Stel je voor, nieuwe handboeken gebruiken, een nieuwe methode aanleren, nieuwe inhoud aanreiken aan je leerlingen, dat doen leerkrachten helemaal nooit. Sinds de jaren ’60 was er immers helemaal niets meer veranderd in het onderwijs…

Dat was toch hetgeen de onderwijsdeskundigen naar buiten brachten. Dat diezelfde onderwijsdeskundigen over het algemeen pedagogen of onderwijsspecialisten zijn die nooit of al jaren niet meer voor een klas gestaan hebben, wordt ook onder de mat geveegd. In welke job wordt er bij ingrijpende veranderingen geen rekening gehouden met de opmerkingen van de specialisten uit het veld? Nochtans gebeurt dat telkens opnieuw bij onderwijshervormingen. Ook nu weer – bij de hervorming van het secundair onderwijs – wordt er fel geprotesteerd vanwege de leerkrachten, maar wordt dit alweer afgedaan als onwil om te vernieuwen van een bende conservatievelingen. Naar de inhoudelijke motivatie achter de protesten wordt niet geluisterd. Het moet beter uitgelegd worden, de leerkrachten protesteren enkel omdat ze niet goed op de hoogte zijn…

Ik word er echt kwaad van. Ik heb zelf nooit in het onderwijs gestaan, op mijn stage na, maar ik heb ontzettend goede herinneringen aan de vele zeer goede en gemotiveerde leerkrachten die ik gehad heb. Zij hebben me prachtige verhalen verteld, de ogen geopend, ze hebben me leren nadenken én leren genieten van mooie kunst, van schitterende boeken, van citytrips… Ik heb nog steeds ontzettend veel bewondering voor het enthousiasme en de passie waarmee uitstekende leerkrachten hun vak “verkochten”. Ze hebben me geleerd dat het soms moeite kost om iets te bereiken, maar dat de inspanning altijd loont.

De mislukking van het vaardigheidsonderwijs – die van in het begin door de leraars voorspeld was – is dan ook vooral jammer voor een hele generatie leerlingen. De goede bedoelingen ten spijt – leerlingen mondiger maken in een vreemde taal – kan je niet anders dan constateren dat dit ten koste gegaan is van de algemene kennis in de vreemde taal. Waar studenten in 1993 nog zo’n 54 % haalden op een oriëntatieproef Frans is dat 20 jaar later nog een dikke 35 %. Maar waar zit dan precies de winst van het vaardigheidsonderwijs? Zijn ze nu taalvaardiger? Maar hé, de boodschap komt intussen toch over, “le message passe”.

Wij Vlamingen hadden internationaal altijd de reputatie veel vreemde talen uitstekend te beheersen. Ik vind het ontzettend jammer dat dit zomaar te grabbel is gegooid voor een hele generatie. Laat dit dan ook een pleidooi zijn om leerkrachten wat meer echt op hun waarde te schatten als de onderwijsspecialisten die ze zijn. Laat hun stem dan ook telkens opnieuw gehoord worden in de inhoudelijke en vormelijke debatten die er rond het onderwijs gevoerd worden en doe hun inhoudelijk protest dan ook niet af als de conservatieve reflex van een vastgeroeste ambtenaar. Gelooft u nu zelf dat dat een correcte beschrijving is van elke leerkracht is die uw kinderen iets probeert bij te brengen?