Daar is de koers weer…

Elk jaar dit moment krijg ik de (sport)kriebels. Straks begint het Belgische wielerseizoen met de Omloop Het Nieuwsblad. De komende weken zijn onze zaterdagen (soms) en vooral de zondagen gevuld met koers. Dan eisen we de tv op (met verongelijkte blikken bij de dochters tot gevolg) en laten we ons meeslepen door het wielrennen.

Het is de spanning, het zijn de weersomstandigheden, het is de heroïek van de valpartijen, van de eenzame strijd van een fietser tegen de natuurelementen en zijn rivalen. Het is tactiek, maar vooral gewoon aanvallen en stampen. Het is meeleven en niet tegen de spanning kunnen. Het is juichen als jouw favoriet wint of net vloeken als hij door pech gedwongen wordt de strijd te staken. Of ten val komt. Het is zuchten als jouw renner net niet de juiste conditie te pakken heeft en niet mee kan. Het is aanmoedigen als hij ten aanval trekt. Het is mee aftellen met elke seconde die hij weet bijeen te sprokkelen. Het is duimen dat hij uit de greep van het peloton blijft en zijn inspanningen weet te verzilveren. Het is een klein beetje sterven als dit net niet lukt en hij op amper een paar kilometer (of erger nog, binnen de laatste kilometer) van de meet gegrepen wordt. Het is schoon en pakkend, maar leidt soms ook tot bittere teleurstelling.

Het is het eerste jaar na Tom Boonen. Toen Boonen zijn neus aan het venster stak, was de ster van Johan Museeuw tanende. Gelukkig stond er een nieuwe, jonge welp klaar om de leegte te vullen en konden we als wielerfans meteen terug warm lopen voor topprestaties van eigen bodem. Dat de kroon net te snel doorgegeven werd aan de volgende ster, was de supporters een zorg. Het was opnieuw één van ons en hij kwam met een zekere flair en zelfverzekerdheid die ons de oude meester snel deden vergeten. Maar wie treedt nu in de voetsporen van de meester? Wie zal ditmaal de leegte vullen? Staat er een nieuwe Boonen op? Er is natuurlijk Greg Van Avermaet en zijn onvermijdelijke rivaal Petr Sagan. Zij zullen de koers allicht kleuren. Maar zit er tussen de jonge welpen een kaper op de kust? Of kan de oude, lepe Gilbert opnieuw stunten?

Wij zitten deze namiddag alvast met veel goesting voor tv. We zullen duimen, supporteren, op de vingers bijten van spanning en juichen (hopelijk). Ergens tussendoor moet er ook nog wat huishouden gedaan worden, maar wie is daar nu mee bezig als de koers terug begint?

Ode aan de koers

Morgen staat de Omloop Het Volk, pardon Het Nieuwsblad, op het programma. Zondag volgt dan Kuurne-Brussel-Kuurne in het traditionele Belgische openingsweekend van het wielrennen. Het zijn hoogdagen voor wielerliefhebbers en dus voor ons. Ik kijk er elk jaar opnieuw naar uit, naar die strijd van de mens tegen de elementen. Hoe zwaarder de weersomstandigheden, hoe schoner. Een portie pech en valpartijen horen erbij, maar we hopen uiteraard allemaal dat “onze” favorieten ervan gespaard blijven. En we duimen voor een grootse, memorabele Belgische zege, liefst uiteraard in één van de klassiekers.

Ik was nog een kind toen ik de smaak te pakken kreeg. Mijn liefde dateert nog uit de tijd dat er amper een uurtje koers werd uitgezonden, soms zelfs in uitgesteld relais. Dat je eerst moest volgen via de radio, wat ongelooflijk spannend en tegelijk immens frustrerend was. Verslaggeving in flitsen, wie kan zich dat nu nog voorstellen. Dan ging jouw favoriet aan, en dan moest je een heel liedje afwachten om te horen of hij nu eigenlijk ontsnapt was of dat het gewoon een maat voor niks was geweest en dat hij allang terug ingelopen was.

Wielrennen is voor mij verbonden met zondag, naar de mis gaan, waarna mijn grootvader op café ging in zijn zondags kostuum en met zijn hoed op (in de week droeg hij een “klak”). Hij was min of meer op tijd terug voor het eten en installeerde zich daarna in zijn zetel voor de “koers”. Gegarandeerd miste hij dankzij zijn “zware” zondagochtend af en toe wel een aantal kilometers, maar we maakten hem altijd op tijd wakker voor “den arrivée”. Ik herinner me samen in de zetel supporteren en juichen als “die van ons” wonnen. Het was toen als kind meer een kwestie van erbij zijn, “het meemaken” en genieten van de sfeer.

De koersmicrobe zelf kreeg me voor het eerst in zijn greep in de Tour van 1989. Lemond pakte toen het geel in de afsluitende tijdrit en onttroonde op de valreep nog de Franse “Prix Citron” Fignon. Ik had toen een boontje voor de sympathieke (en knappe) Amerikaan Lemond en liet me voor het eerst volledig meeslepen door de gekke inhaalrace die zich voor mijn ogen voltrok. Live de seconden aftellen bij de aankomst op de Champs Elysées, nooit geweten hoe spannend dat kon zijn.

Bovendien hadden we met Johan Museeuw in die periode een geweldige klassieke coureur. Die ene Parijs-Roubaix waarbij hij achter een ontketende Tchmil aanging, tot op 15 seconden raakte en toen letterlijk stierf op de fiets in de ijsregen, vergeet ik nooit meer. Bovendien zijn de omstandigheden in de voorjaarsklassiekers altijd net dat tikkeltje heroïscher: regen, koude, sneeuw, hagel of alles door elkaar, het maakt een koers hard, het maakt dat je nog meer meeleeft met die arme renners op hun fietske, zonder al te veel bescherming tegen die extreme weersomstandigheden. En we zijn de afgelopen jaren verwend: na Museeuw kwam Van Petegem en die werd dan weer van de troon gestoten door Tom Boonen.

Het wordt het laatste voorjaar van Boonen en stiekem gunnen we hem zijn allerlaatste grote zege. Een afscheid door de grote poort. Dat hij daarbij ook nog Roger De Vlaeminck van de troon zou stoten en alleen recordhouder zou worden in Parijs-Roubaix, zou perfect zijn. (Ik heb De Vlaeminck nooit bewust zien rijden, dus ik gun één van de wielericonen uit mijn leven zijn plekje in de sportgeschiedenis.) Bovendien kijk ik uit naar de strijd met vedette Sagan, onze Olympische held Greg Van Avermaet en die vele anderen.

De koers. Het beste excuus om het de volgende weekends wat rustiger aan te doen. Alhoewel. De dochters lachen nog altijd met mijn geroep en getier vorig jaar toen Boonen het net niet haalde in Parijs-Roubaix. Laat het wielerseizoen nu maar snel beginnen, ik kijk er zo hard naar uit!

De koers is in het land!

wielrennenIk kick op fietsen. Niet alleen kruip ik zelf graag op dat ijzeren ros, maar ik geniet ook ontzettend hard van wielrennen op tv. Het is allemaal misgelopen in 1989, toen Greg Lemond Laurent Fignon op de valreep de Tourzege ontfutselde, met slechts 8 seconden voorsprong. Wat was die laatste tijdrit spannend!

Eigenlijk zijn tijdritten doodsaai. Er gebeurt immers niks: het is de strijd van één man tegen de klok. Hoogstens valt er eens eentje. Maar die dag telden we met zijn allen de seconden. De Fransman Laurent Fignon, de eeuwige “Prix Citron” in het peloton, werd beetje bij beetje ingelopen door die Amerikaanse lefgozer, die zijn portie pech al gehad had. Op de Champs Elysées hebben we letterlijk afgeteld tot we zeker wisten dat Lemond de Tour binnen had…

Een liefde was geboren. Elk jaar, tijdens de grote vakantie, zat ik voor de buis. Weer of geen weer, het zonnetje moest even wijken voor de koers. Ik leefde ontzettend mee met mijn favoriet van het moment. Zo duimde ik ontzettend hard voor Pedro Delgado, Lance Armstrong en Marco Pantani. Ik heb het wel voor lefgozers. Opvallen en aanvallen, dat zie ik graag in de koers. De Duitse degelijkheid van Jan Ullrich kon mij dan ook niet bekoren. OK, Marco Pantani heeft meer verloren dan gewonnen door zijn manier van koersen, maar als hij won, was het wel op sublieme wijze.

En dan hadden we de voorjaarsklassiekers nog niet eens gehad. In de Tour is het al jaren geleden dat er nog eens een Belg meespeelde voor de zege. Ik heb het zelf nooit meegemaakt. Ja, we hebben Jurgen Van Den Broeck gehad, maar eigenlijk kwam hij altijd wel tekort voor het hoogste schavotje op het podium. Op een goede dag kan hij wel kampen om de derde stek, maar de huidige toppers (Froome, Contador en zelfs Wiggins) zijn toch een maatje groter dan onze landgenoot.

Maar in de lente zijn de Belgen aan zet. We winnen zeker niet altijd, maar we spelen altijd mee. De wielerlente komt kalm op gang, met Omloop Het Nieuwsblad en Kuurne-Brussel-Kuurne. De Belgen tonen zich dan altijd een eerste keer. Winnen mag, maar is nog niet noodzakelijk: het is pas over een maand dat onze landgenoten écht top moeten zijn. Milaan-Sanremo is de eerste klassieker, maar ook daar spelen we al jaren niet meer mee. We willen wel, maar dat is de klassieker van de topsprinters… en daar zit momenteel geen Belg meer tussen. Maar dan… onze Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. Hoogdagen zijn dat.

Eigenlijk zitten we dan een hele dag voor de buis. We volgen het aftekenen van de renners voor de start, de start zelf en gaan in één ruk door tot de finish. Dat je die dag moet onderbreken om te eten, is bijna zonde. En hoewel ik snak naar lente en zon, moeten de Vlaamse klassiekers apocalyptisch zijn met koud, nat weer. Zodat we een heroïsche strijd krijgen, niet alleen tegen elkaar, maar ook tegen de elementen. En als er een Belg wint, wordt er in onze huiskamer luid gejuicht. Als Cancellara wint, geven we ook eerlijk toe dat hij gewoon de beste was. Dat Boonen, Vanmarcke en co op hun waarde geklopt zijn.

In de klassiekers kan je je niet verstoppen. Een goede ploeg is belangrijk, maar zowel in de Ronde van Vlaanderen als in Parijs-Roubaix komt er een punt dat het man tegen man wordt. En net dat vind ik het mooie aan de koers. En net dat doet me elk jaar opnieuw voor de tv gaan zitten (soms op mijn eigen spinfiets), meeleven, supporteren en keihard genieten.

Laat de klassiekers dus maar komen! Wij zijn er hier al helemaal klaar voor.

PS: En Boonen geeft een goede indruk… Wie weet sneuvelen de records dit jaar wel?