Stommiteiten – blauwe knieën

Vrijdag was het nog eens een sneeuwdag. Het was ruim op voorhand aangekondigd, we kunnen niet zeggen dat we niet verwittigd waren. Gezien mijn rijverleden in de sneeuw, lag het voor de hand dat ik vrijdag de trein zou nemen naar het werk. Ook al was er een technisch probleem met een goederentrein in één van de stations voor ons, was de vroegere trein afgeschaft en werd onze trein aangekondigd met een vertraging van (minstens) 10 minuten, ik was niet van plan om met de auto naar het werk te rijden. Het was gelukkig ook niet nodig: met een beetje vertraging arriveerde ik alsnog veilig op het werk.

Bij ons bleef de sneeuw eigenlijk redelijk lang uit. ’s Middags had ik nog een stapje in de wereld gezet en alles was nog rustig. Toen ik terug naar kantoor liep, begon het wel wat te regenen, maar alles leek ontzettend kalm. Tot de collega’s nog geen uurtje later verwittigden voor de spekgladde straten en voetpaden buiten. En toen begon de sneeuw wel te vallen. Maar eigenlijk vond ik dat nog best schoon en in al mijn naïviteit dacht ik toen nog dat de sneeuw de gladheid misschien wel zou verdoezelen.

Rond een uur of 4 kreeg ik telefoon van de echtgenoot. Dat het toch wel spekglad was buiten. Dat het geregend had, dat die regen vastgevroren was en daarna bedekt werd met een laagje sneeuw. Dat mijn auto op de parking aan het station allicht serieus bevroren zou zijn en dat ik mijn tijd moest nemen om hem te laten ontdooien en RUSTIG naar huis moest rijden.

IMG_8859_miniSamen met een collega liep ik naar het station. En toen bleek het toch nog redelijk glad te zijn. En jammer genoeg stond ik daar schoon, op mijn prachtige maar afgrijselijk hoge hakken. Ik bedenk me net dat ik misschien toch beter andere schoenen had aangedaan als ik onderuit ga. Gelukkig zonder al te veel erg. Op een deukje in mijn ego na hadden mijn handen de ergste klap opgevangen. Dacht ik. Maar de rest van de weg heb ik maar héél erg voorzichtig afgelegd.

Zaterdagochtend neem ik een douche. En dan merk ik voor het eerst op dat mijn linkerknie toch wel redelijk blauw uitslaat. Op twee verschillende plekken. En dat één blauwe plek zelfs redelijk dik is. En mijn rechterscheenbeen vertoont toch wel redelijk wat schrammen. In gedachten loop ik na wat ik de afgelopen dagen allemaal uitgespookt heb. Nachtelijke uitspattingen waren er deze week niet echt. Het duurt even vooraleer ik me realiseer dat de verwondingen allicht een gevolg zijn van de tuimeling in de sneeuw. Als ik de echtgenoot en de dochters op de hoogte breng, is een portie gezucht en veel oogrollen mijn deel. “Niks nieuws onder de zon.”

Ooit was er een tijd dat ik mijzelf een écht winterkind noemde. Ik was dol op de sneeuw, de ijskoude en het flauwe winterzonnetje. Maar nu geef ik het op. Ik rijd niet graag in de sneeuw, ik wandel niet graag in de sneeuw en ik ben er ook NIET goed in. Het is uit, de liefde is over. Ik wil lente, ik wil zon. (Maar misschien eerst toch mijn blauwe knieën laten genezen 😉!)

Stommiteiten – gekoelde drank

Het was héél erg lang geleden, maar vanmorgen bracht ik de dochters nog eens aan het schaterlachen met één van mijn stunts. Onbedoeld uiteraard, maar daarom niet minder grappig. Voor mijn omgeving dan toch. En voor mij een bron van inspiratie in het kader van de 40 dagen bloggen-challenge.

Gisteravond kregen we bezoek en we waren volledig voorbereid. De “mise en place” was al van in de namiddag gebeurd, er was dessert en we waren zelfs ruim op tijd in de douche geraakt en aangekleed. In het kwartiertje dat ik nog op overschot had, besluit ik de tafel dan ook te dekken. Ik plaats ook al de nodige drank op tafel. Op dat moment komt de echtgenoot de eetkamer in en zegt hij: “vergeet de ice-tea niet, want dat drinken ze graag”. Maar de ice-tea stond niet koud. En dus leg ik snel nog twee blikjes in de diepvries, dan kunnen die nog een kwartiertje afkoelen en heeft iedereen gekoelde drankjes bij het eten. De rest van de avond verloopt vlot en gezellig: lekker eten, aangenaam gezelschap, leuke babbels. Volop genoten dus.

Zondagmorgen. De oudste wil graag croissants bij het ontbijt. Wij hebben er altijd in onze diepvries liggen en vooral in het weekend willen we wel eens uitgebreid brunchen met een vers afgebakken croissant erbij. Ik trek de diepvries open en zie meteen in de eerste schuif dat ik UITERAARD de blikjes ice-tea de vorige avond op tafel vergeten te zetten ben. Eéntje was gedeeltelijk ontploft, een ander had een rare vorm aangenomen. Al bij al viel de schade nog mee: zoveel ice-tea was er nog niet verspreid: de ontploffing was beperkt gebleven.

Toen de dochters mij hoorden vloeken en de blikjes zagen, vonden ze het hilarisch en “typisch mama”. Vooral toen ik eraan toevoegde: “Ik had nog gedacht dat ik het aan papa moest zeggen dat ik de blikjes in de diepvries gelegd had, voor het geval dat ik het zou vergeten 😉…” Maar dat had ik natuurlijk nagelaten. Ik wou dat ik kon zeggen dat een éénmalige vergetelheid was, maar helaas: er is zo eerder al eens een fles witte wijn ontploft. Maar ik kan er eigenlijk niets aan doen: ik ben erfelijk belast. Ook bij mijn ouders is er al eens drank gesneuveld in de diepvriezer. Ooit komt er dus een moment dat ik mijn dochters vierkant kan uitlachen met wel zéér goed gekoelde (lees: bevroren) drank.

onhandig

(www.loesje.nl)

 

Stommiteiten – zwoele nachten

Het was al een tijdje geleden dat we nog eens stof voor dit rubriekje hadden. Niet dat er de afgelopen maanden zich geen feiten het noteren waard voordeden, maar soms waren ze enkel grappig als je erbij was. Of écht wel te gênant om op het wereldwijde web los te laten en laten we eerlijk zijn: soms vergat ik ze gewoon te noteren. Of had ik zo geweldig veel inspiratie dat we geen nood hadden aan dit soort luchtige bladvulling. Maar wat ik afgelopen nacht presteerde, was te schoon/lomp om niet te delen *schreef ze met blozende kaken*. Het leverde onze studerende dochters daarnet alvast hilariteit op tijdens het avondeten. Wat een moeder allemaal niet lijden kan om haar dochters toch even stoom af te laten blazen tijdens de examens.

Het is dus heet momenteel. En dat merken wij zeer goed aangezien wij onder het dak slapen. Zeker als het een paar dagen op rij warm geweest is, blijft de hitte binnen hangen en je krijgt het boven niet afgekoeld. Tenzij je het raam helemaal openzet, dan heb je kans dat je toch iets van een verkoelend windje voelt. Nu staat ons raam vanaf de lente meestal wel open, “op kip”. Maar als het echt zwoel is, dan zetten we het raam volledig open en laten we de rol op spleetjes staan.

Maar ik ben een nachtbraker. Ik word ’s nachts wel minstens één keer wakker om naar het toilet te gaan. Enfin, over “wakker” kan gediscussieerd worden. De echtgenoot heeft het altijd over mijn “fifty shades of consciousness” die zich vooral ’s nachts manifesteren. Sommige mensen slapen of zijn wakker. Maar bij mij zijn daar nog wel een aantal toestanden tussen: min of meer wakker, min of meer slaapwandelend,… Laat ons zeggen dat “helder” mijn toestand ’s nachts eigenlijk nooit definieert ;-). Wat ik mij deze nacht alweer realiseerde toen ik ergens midden in de nacht keihard met mijn gezicht tegen het open raam aan knalde. Weg was meteen ook de kans om discreet de kamer uit te sluipen: mijn pijnkreet en bijhorend gevloek kregen de echtgenoot uiteraard ook wakker. Niet dat ik er echt ongelooflijk veel pijn van had. Ik voelde het wel wat aan mijn wang (en mijn ego had ook alweer een knauw gekregen), maar ik viel al snel terug in slaap.

Deze morgen, toen de wekker ging, sprong ik onmiddellijk uit bed om het bad al te gaan opzetten. (We zitten momenteel zonder douche, dus neemt het ochtendritueel al wat meer tijd in beslag.)  En knalde ik – opnieuw – keihard tegen het nog altijd openstaande raam aan. Ditmaal gelukkig met de arm waardoor dat deel de zwaarste slag opving en mijn gezicht ditmaal wel (min of meer) gespaard bleef. De rest van de dag had ik een streepje op mijn pols en een gezwollen bubbeltje om me aan mijn nachtelijke stommiteiten te herinneren.

Ons moe zei vroeger al: “een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen”. Mijn standaard antwoord was dan meestal: “maar ik ben een steenezel”. Tja, some things never change, zeker…

clumsy

(www.someecards.com)

Stommiteiten – Groene vingers

Groene vingers. Sommige mensen zijn ermee geboren, maar ik dus jammer genoeg niet. Nochtans ben ik wel dol op planten en we hebben er hier in huis toch redelijk wat. Die ik trouw elke week probeer water te geven. Wat meestal ook lukt. Intussen hebben we redelijk wat plantjes die toch al een tijdje overleven.

Maar we moeten eerlijk zijn, dat is niet mijn verdienste. Mijn schoonmoeder heeft wel groene vingers en verplant hier regelmatig plantjes, geeft al eens wat extra voeding en grijpt in als een uit de kluiten gewassen plant ons huis dreigt te overwoekeren. Zij is er meestal ook verantwoordelijk voor dat er af en toe eens variatie in ons plantenbestand opduikt. Dan heeft zij een hele reeks stekjes met veel liefde doen uitgroeien tot een plantje dat misschien zelfs ook in ons huis overleeft.

Zo dook er op een bepaald moment een mooie orchidee op in ons bureau. Of beter de werkplek van de echtgenoot en eigenlijk kwam ik er niet altijd even vaak. Maar als ik er kwam, als ik het plantje zag, gaf ik het trouw water. Maandenlang. Stiekem was ik zelfs fier dat ik er voor het eerst ook in slaagde een orchidee in ons huis te laten overleven. En dus kwamen er nog een paar extra orchideeën in huis. Want ik ben dol op die soort. Omdat je er eigenlijk weinig aan kan misdoen en omdat ze een groot deel van het jaar zo schoon bloemen.

orchidee_mini

Deze overleeft nog altijd uitbundig – en het is een échte 😉

En toen begon het me ineens op te vallen. Orchideeën zorgen voor een uitbundige bloemenpracht, maar dat stopt op een bepaald moment en dan verdrogen de stengels . Op dat moment moet je deze stengels eigenlijk afknippen zodat er nieuwe stengels kunnen groeien die dan later ook weer volop bloemen zullen dragen. Snoeien om te bloeien, of zoiets.

Maar de allereerste orchidee in ons bureau had ik nooit moeten knippen. Daar bloeide al jarenlang één eenzaam bloemetje. Er kwamen geen bloemetjes bij, maar dat ene bloemetje verdween ook nooit. Mijn frank viel. En dus ging ik even controleren. En ja hoor, het was een zijden kunstbloemetje. Dat ik dus trouw wekelijks water had gegeven. Maandenlang. Maar het zag er zo écht uit. En dat water dat ik gaf, verdween/verdampte toch.

Wat dus meteen ook de reden is waarom mijn schoonmoeder zich over onze plantjes ontfermt…

Stommiteiten – spinnenalarm

Het is weer spinnentijd. Gegil en gehuiver, want ik ben niet dol op deze beestjes. (En dat is een understatement.) Ik weet ook dat ze nuttig zijn, maar ze zien er gewoon niet uit. En waarom moeten die nu massaal de warmte binnenshuis opzoeken? En waarom moeten ze dat nét altijd doen als mijn grote held van huis is en ik dus alleen in onze woonst vertoef?

Vrijdagavond was de echtgenoot de jongste gaan oppikken na een late uitstap. De oudste en ik lagen – uitgeteld na een zware week – te genieten in de zetel. Met een hapje erbij en een drankje voor de mama. Maar toen ik de plastieken verpakking naar de berging wou brengen en ik de deur opentrok zat daar een ontzettend grote verrassing. En dus riep ik de oudste ter hulp. Waarop zij de spin doodde die aan mijn voeten zat en die ik (nog) niet gezien had. Met het nodige geschreeuw erbij uiteraard. Maar de spin in de berging, daar durfde zij zich ook niet aan wagen. “Dat is echt wel een hele grote, mama.” (I know) “En ze heeft haar op haar lijf. Sorry, maar dat durf ik ook niet.”

De stofzuiger was geen optie, die stond immers ook in de berging en dan moesten we er langs. Hetzelfde met een borstel. Ook die stond onbereikbaar. En dus hebben we de deur dichtgetrokken en een sms’je gestuurd naar de echtgenoot of hij zich alstublieft kon haasten, dat het spinnenalarm was en dat wij niet durfden. Nu was het niet de eerste keer dit jaar dat ik in een dergelijke situatie terecht kwam. Maar de eerste keer was de jongste wel van de partij en zij sprong haar mama dapper ter hulp. Volgens mij voelen die beestjes het aan wanneer de kust veilig is.

20 minuten later kwamen de echtgenoot en de jongste thuis. Terwijl de echtgenoot de auto in onze garage parkeerde, kwam de jongste vragen wat het probleem was. “We staan daar nog wat na te praten en dan komt er zo’n sms’je. Mama toch.” Zij vond het bijzonder grappig. Wij niet echt, al hadden we zelf ook min of meer groen gelachen om het absurde van de hele situatie. Ook de jongste inspecteerde de berging, maar onze ongenode gast was uiteraard verdwenen. En dan kan je het positief bekijken: de grote harige indringer zat al op een paar centimeter van de buitendeur en heeft dus mogelijk het huis al verlaten. Of je kan ook veronderstellen dat het beestje een veilig onderkomen gevonden heeft onder de droogkast, de koelkast, de wasmachine of één van de vele rekken die in onze berging staan. En dat we dus een nieuwe ontmoeting niet mogen uitsluiten…

Een paar uur later, toen de dochters al even in bed lagen en de echtgenoot en ik samen nog even naar televisie keken, zag ik vanuit mijn ooghoek opeens vanonder de andere zetel opnieuw een spin onderuit schieten. Gekeel (alweer), maar ditmaal stond mijn koene ridder wel paraat en loste hij het probleem vakkundig (in twee keer) op. Of het dezelfde was, weet ik niet. Ik blijf meestal uit de buurt en onderwerp deze geleedpotigen liever niet aan een nadere inspectie.

Misschien kan ik beter toch maar wat (natuurlijke) middeltjes uitproberen om de beestjes uit ons huis te houden. Niet van de zijde van de echtgenoot wijken is natuurlijk ook een mogelijkheid, al vrees ik voor de goede verstandhouding als de spinnentijd nog een paar weken duurt. En dus gillen we ons er wel doorheen. Nog een maandje, toch? En dan zijn we er weer even vanaf?

spider

Stommiteiten: Blue heaven

Dinsdagavond, een zonnige zomeravond. Net een dagje aan zee doorgebracht met man en kinderen. In de auto op weg naar huis. Na een tijdje toch maar overgeschakeld van Studio Brussel naar Joe. Het ene jeugdsentiment na het andere. We draaien de volumeknop open en zingen luidkeels mee. Hilariteit bij onze dames, die de zangkunsten van hun ouders niet altijd naar waarde weten te schatten.

Het was goede muziek, echt uit onze tijd ;-). Na een tijdje gooien ze ook Belinda Carlisle in de ether. Geweldig nummer. We waren 14 toen het nummer een dikke hit werd. Helemaal midden in de gezellige en vrolijke jaren ’80, nog voor de grunge van Nirvana onze jeugd zwart en rebels maakte en ons een krachtige uppercut gaf. Maar Belinda Carlisle was nog licht, luchtig en poppy. En dus zong ik uit volle borst mee “Blue heaven is a place on earth”…

Ik denk dat we zo halverwege het nummer waren toen de echtgenoot opmerkte dat ze niet “Blue heaven” zong, maar “ooh heaven”. Ik viel compleet uit de lucht. “Maar waarom heet dat nummer dan “Blue Heaven”?” “Dat nummer heet gewoon “Heaven is a place on earth”. “Ben je zeker?” “Ja hoor, echt wel. Bij de volgende variant van de strofe ging ik nog een keertje volledig de mist in. “Hier ook geen “blue” zeker, maar gewoon “ooh”?

Eerlijk, ik kon hem niet geloven. Ik ben de tekst thuis gaan opzoeken, zo overtuigd was ik van mijn gelijk. Dat ik niet echt een muzikaal gehoor heb, wist ik al. Dat ik vaak pas jaren later begrijp wat een groep/zanger of zangeres eigenlijk zingt en dus pas na een zekere tijd een Aha-Erlebnis krijg over de betekenis van sommige nummers, is niet bepaald nieuw. Maar ik denk dat dit toch wel één van de langste vergissingen uit mijn persoonlijk “mama appelsap”-repertoire is. Het nummer dateert uit 1987, ik zing dat dus al bijna 30 jaar verkeerd. (Net geen jubileum, dju toch!) Al bijna 30 jaar lang vond ik “Blue Heaven” van Belinda Carlisle één van de betere overblijfsels uit onze jeugd.

We hebben er eens goed om gelachen in de auto. Enfin, de echtgenoot en de dochters toch. Ik een beetje groen, of moet ik blauw zeggen ;-)? En eerlijk, ik denk niet dat ik het er nog uit krijg, die “blue heaven”. Na 30 jaar indoctrinatie is het kwaad misschien wel geschied. Maar het blijft wel een leuk deuntje, die “Heaven is a place on earth”…

Stommiteiten: Mekka of Choppers

Toen we na een week vakantie van Toscane naar Piemonte reden, liep het op het einde van onze rit even moeizaam. Op ongeveer 10 minuten van ons hotel, bleef de GPS ons maar heuvels op sturen. De eerste weg liep dood op een gesloten poort, een andere optie strandde dan weer op het basketveldje naast een huis. En neen, er was geen weg rond, langs of doorheen.

Heuvels PiemonteDus draaiden we telkens opnieuw terug, op die zeer smalle weggetjes die nogal abrupt eindigen, om terug te keren naar de hoofdbaan en van daaruit een nieuwe poging te wagen. Na 3 pogingen hadden we (lees: ik) er even genoeg van en dus zochten we een plek om de weg te vragen. De plaatselijke winkel annex restaurant bleek echter gesloten. Allicht zaten we midden in de siësta, maar daar zouden we ons pas later die week bewust van worden.

Het benzinestation waar de echtgenoot net nog volk gezien had, bleek verlaten tegen dat we er opnieuw langsreden. Iets verder langs de hoofdweg zag de echtgenoot wel volk zitten aan een schuur. Een cafeetje, denkt een rasechte Belg dan en meteen dook ik onze rugzak met papieren in om de gegevens van het hotel op te vissen. Zodat ik met de naam van het hotel en de straatgegevens correcte rijaanwijzingen kon vragen.

Ik had net alles bijeengezocht toen de echtgenoot de wagen voor het schuurtje parkeerde. Ik wil uitstappen om de weg te vragen, als ik de plakkaat boven de schuur zie hangen. “Mekka of Choppers.” En de 5 mannen die daar samen aan een soort picknicktafel van een biertje genoten, waren inderdaad motards, met alles erop en eraan: tatoeages, leren vesten, spijkervesten. Ik kijk naar de echtgenoot. “Serieus? Moet ik hier de weg vragen?” Maar we waren al gestopt, er was in de nabije omgeving geen levende ziel te bespeuren en dus ben ik uitgestapt. “Buon giorno.”

Ik denk dat ze het wel grappig vonden, dat kleine vrouwtje dat in haar beste Italiaans de weg kwam vragen. Met hun vijven door elkaar probeerden ze me allemaal even hartelijk de snelste weg te wijzen naar ons hotel. Eerlijk, ik heb er zeker niet alles van begrepen. Ik heb alleen onthouden dat we rechtdoor moesten tot aan een “zona industriale” en aan de “Torrone” linksaf moesten. Daarna volgde nog een hele uitleg doorheen de heuvels, tot aan een brug waar we onder of over moesten en dan zouden we eindelijk onze bestemming bereiken.

Ik heb die mannen vriendelijk bedankt, ben ingestapt en heb gezegd dat we rechtdoor moesten. We reden recht op de industriezone af en toen ik de “torrone” zag, viel mijn frank. Torrone is Italiaanse nougat. Ik ben er dol op. Vandaar dat dat woord bleef hangen in de hele uitleg. Maar bij onze vierde poging reden we wel recht naar ons hotel toe. Na de fabriek van de “Torrone” nam de GPS weer over, maar ik herkende de rest van de uitleg: de punten die de mannen genoemd hadden, de brug waarna we het dorp zouden inrijden. Toen we het echt niet meer wisten, zagen we gelukkig het bordje voor het hotel hangen.

Eind goed al goed in de heuvels van Piemonte, dankzij de mannen van “Mekka of Choppers” en hun torrone ;-).

Stommiteiten: de slang in het bidet

IMG_6433Terugkeren naar een plek waar je al eerder je vakantie doorbracht, heeft zijn voor- en nadelen. Een van de nadelen is dat je de legendes van de plek al kent. Zo doen er al jaren geruchten de ronde dat er rond onze agriturismo wel eens slangen te zien zijn. Niet zo onnatuurlijk voor het Italiaanse platteland, maar laat mij nu niet meteen dol zijn op dat soort reptielen.

Jaarlijks zijn er wel gasten in ons huisje die bij hoog en bij laag beweren “een slang of een adder” gezien te hebben. Dat is ons echter nog nooit overkomen. Maar ik hou mijn ogen wijd open en ik verwittig de kinderen elk jaar opnieuw om toch alstublieft voorzichtig te zijn bij het spelen en geen verstopplaatsen te zoeken in de struiken of het lange gras.

Toen we dit jaar na een lange tweede rijdag arriveerden in ons huisje, konden onze dames niet snel genoeg hun koffer uitpakken, hun bikini’s aantrekken en het zwembad opzoeken. Hun ouders, die de files meer dan hun lief waren getrotseerd hadden, waren wat trager. Wij pakten op ons gemak uit en organiseerden ons huisje naar onze wensen. Daarna zochten ook wij ons zwemgerief bij elkaar om wat te gaan bekomen aan de rand van het zwembad.

Eerst nog even rustig gebruik maken van het gemak. Ik ga dus de badkamer in en wil me neerzetten als ik uit het bidet naast het toilet een paar oogjes zie priemen en een klein reptielenkopje zie opduiken. Paniek! Voor het eerst in 5 jaar zie ik dus ook de slang des huizes… en dan nog wel in onze badkamer. Wat doe ik in noodsituaties? Ik gil om de echtgenoot. Hij komt de badkamer in en ook hij ziet inderdaad een kopje opduiken uit het bidet. Het was dus geen fata morgana of mijn verbeelding die op hol sloeg na een lange vermoeiende autorit. Ook dat zou niet de eerste keer zijn. Mijn oplossingen: “doe er water in en verdrink het” of “doe het dekseltje dicht” oordeelde de echtgenoot niet als diervriendelijk of realistisch. En dus haalt hij het dekseltje eraf en zien we allebei dat één van de vele hagedisjes om god weet welke reden zijn toevlucht gezocht had in ons bidet.

De echtgenoot – mijn held – pakt het hagedisje uit ons bidet en geeft het buiten aan ons huisje zijn vrijheid. Tot hilariteit van de Nederlandse onderburen. Tegen dat de echtgenoot met het beestje buiten was, had het glibberige diertje zich immers uit zijn hand gewrongen en op zijn arm genesteld. En dus kreeg de echtgenoot het nog niet meteen vlotjes van zijn arm.

Enfin, de rest van de vakantie in Toscane is rustig verlopen. Al heb ik het dekseltje van het bidet wel braafjes dicht gehouden om verdere ongenode gasten in onze badkamer te vermijden. En gelukkig heeft ook de slang des huizes – die door andere gasten alweer gesignaleerd werd – zich niet aan ons geopenbaard ;-).

Stommiteiten – de zonnige examenversie

20160615_092401[1]Ik heb het gehad met dat Belgisch zomerweertje. Deze namiddag viel de regen hier weer eens uren op een stuk met bakken uit de lucht. Er zijn uiteraard ook voordelen: onze zomertopjes, rokjes, jurkjes en shorts zijn nog amper de kast uit geweest. En dan nog enkel “per vergissing”. Op die dagen dat de lucht zo prachtig blauw zag als we de rol ‘s morgens optrokken en het er buiten zo aanlokkelijk en warm uitzag dat ik toch maar voor dat zomerse rokje ging. Om amper een uur later, net de trein uit, te moeten constateren dat het allicht even een optische illusie geweest was en dat ik beter ook de andere kant van het huis (waar de wolken zich al verzamelden) gecheckt had bij het opstaan. Waarop je de rest van de dag dan maar bibberend met je jas kan aanzitten…

Maar de echtgenoot, hier in huis degene bij wie het glas altijd halfvol is, noemde het mindere weer daarnet toch een zegen voor de studerende jeugd. Zo dacht ook de oudste even toen ze halverwege haar twee vakken in de loop van de vooravond nood had aan “lucht” en vol enthousiasme met de paraplu en de hond ging wandelen. De hond zag het iets minder zitten en probeerde tijdens het openen van de paraplu ervandoor te muizen richting zijn warme binnenshuis gesitueerde nest, maar liep dan toch maar met de oudste tot het einde van de straat. Zij kwam al lachend uitgewaaid en uitgeregend terug binnen, maar de hond was de hele wandeling mee onder de paraplu gekropen en was toch een zielig verzopen kieken dat naar binnen sukkelde en zich toen voor de hele gang uitschudde ;-).

Ooit, toen juni nog echte zomers kende en de examens steevast geplaagd werden door schitterend heet en zonnig weer, studeerde ik in Leuven. In mijn laatste jaar, toen ik het klappen van de zweep al kende, had ik ooit van een kleine pauze tussen twee examens in gebruik gemaakt om wat zon te zien. Ik had me op mijn vensterbank geïnstalleerd met een boekje en was min of meer in slaap gevallen. Om een uurtje later wakker te schrikken. Spijtig genoeg had ik toen niet het lumineuze idee gehad om halverwege eens om te draaien zodat beide kanten gelijkmatig konden bakken.

En dus kon ik twee dagen later examen gaan afleggen met een half verbrand gezicht, een rode schouder en een rode arm. Enfin, laat ons zeggen dat het ergste rood er al af was, maar er was toch nog altijd een duidelijk verschil merkbaar. En het was niet de gemakkelijkste prof. Ik had ‘m eerder al gehad en ik had niet altijd even schitterend gepresteerd. In mijn laatste jaar was ik gebrand op een goede prestatie en eigenlijk verliep het examen ook redelijk vlot. Ik kon toch op alle vragen antwoorden en ik had er een redelijk goed gevoel bij. Tot de prof me fijntjes liet weten: “Je vois que vous avez déjà pris un bain de soleil. Partiellement quand même…”

Met een (uniform) rode kop heb ik toen het lokaal verlaten. Maar het was één van de allerlaatste examens ooit, het studeren zat er zo goed als op, ik had mijn diploma bijna op zak, het was zomer, de festivals stonden voor de deur, mijn lief had ook geen examens meer. De belofte van een eindeloze zalige zomer strekte zich voor ons uit… en het was nog te vroeg om me al druk te maken over de arbeidstoekomst in de verte.

Ik ben nadien wel nooit meer vergeten dat je bij het bakken het vlees regelmatig moet draaien, voor een gelijkmatige garing ;-). Als we hier in België ooit nog zomer krijgen natuurlijk.

Stommiteiten – de regenversie

Gisteravond besloten we een kort bezoekje te brengen aan de braderij in ons dorp. De oudste had nog wat spulletjes nodig en ook een paar andere winkels mochten een bezoekje verwachten. Je weet nooit of je iets vindt waarvan je niet geweten had dat je het zou nodig hebben – met korting ;-). En terwijl de mama met de oudste zou shoppen, zou de papa zich met de jongste op de kermis storten.

regen loesjeToen we vertrokken, was er geen vuiltje aan de lucht. Maar we waren nog maar net de eerste winkel ingedoken toen het begon te regenen. Eerst bleef het bij wat druppeltjes hier en daar, maar tegen dat de oudste klaar was met shoppen, viel het ineens met bakken uit de lucht. En dus schuilden we onder één van de tentjes tot het zou over trekken. Maar dat viel toch enigszins tegen. We hebben daar toch wel 20 minuten gestaan onder dat tentje. En toen het eindelijk wat begon te minderen, zijn we er maar door gespurt. Naar onze auto, die uiteraard op respectabele afstand stond. De zin in verder winkelen was samen met de regen weggespoeld.

Bovendien had ik thuis mijn rekje met was laten buiten staan. Ik had immers net voor ons vertrek de jeansbroeken bij opgehangen. Jammer genoeg had ik de “blauwe was” niet ingehaald, ook al was die zo goed als droog. (Je twijfelt wel even, kijkt even naar de lucht en denkt dat het nog wel even zal overblijven, dat ze een droge dag voorspeld hadden en dus laat je het maar hangen.) Toen we thuiskwamen, was het rekje, samen met de wasknijpers inderdaad héél erg uitgeregend. En kon ik herbeginnen. Tot overmaat van ramp had ik ook nog eens het raampje van mijn wagen laten openstaan. Gelukkig viel de schade binnen in de wagen nog goed mee. Blijkbaar stond de auto tegen de regenrichting in…

Eigenlijk hadden we het kunnen weten. Want als er één constante is in al die jaren dat er braderij gehouden wordt in ons dorp, is dat die volledig uitregent. Elk jaar opnieuw. Altijd vallen de Putse Feesten het eerste weekend van juni en altijd regent het volledig uit. Toch houden onze dames eraan om te gaan. Vroeger waren ze dol op de kermis, nu weten ze dat er geshopt zal worden.

Maar gisteren was het zo’n mooie dag. Het zonnetje scheen, het was warm, de was droogde perfect buiten. En dus lieten we ons verrassen door dat regenbuitje. Dat jammer genoeg boven Putte-centrum bleef hangen en een uurtje op volle kracht alles eruit gooide. Maar kom, de oudste dochter heeft gevonden wat ze echt nodig had en wij zullen voor de rest van de zomeraankopen wel wachten op de Braderij in Heist, het laatste weekend in juni. Dat traditioneel wel goed weer met zich meebrengt. (Toch op vrijdagavond.)

Al zullen we de volgende keer voor ons vertrek de was toch maar binnen zetten. En even controleren of de autoraampjes wel dicht zijn…