Een gedroomde balans?

img_7145Wie mij al een tijdje volgt, weet dat ik hier ook wel eens een boompje durf opzetten over de niet altijd even geslaagde zoektocht naar een evenwicht tussen je werk en je gezin. Dit combinatiedossier was een paar jaar terug zelfs mijn voornaamste motivatiebron om lid te worden van Femma. Intussen zijn we wat jaartjes verder, hebben we wat professionele watertjes doorzwommen en durf ik – hout vasthouden – te stellen dat ik een zekere balans gevonden heb.

Dat evenwicht zit momenteel in een voltijdse betrekking, een beetje tot mijn grote verbazing, aangezien ik het grootste stuk van mijn professionele leven 4/5de heb gewerkt. We moeten eerlijk zijn, soms mis ik mijn vrije woensdag wel, maar het is niet enkel die vrije dag in de week die zorgt voor een goede balans. Al hielp dat rustpunt mij in drukke tijden wel om even op adem te komen en om er te kunnen zijn voor mijn toen nog jonge dochters. Maar de dochters groeiden op en ik zocht (en vond) een inhoudelijk uitdagende job met veel kansen op zelfontplooiing. Dat geeft ontzettend veel energie. Maar dat ik bijvoorbeeld twee dagen per week kan/mag thuiswerken, geeft ook rust.

Afgelopen week was toevallig wel een zware week. Niet alleen had ik een late  (weliswaar interessante) bijscholing op woensdag, bovendien werkte ik ook zaterdag op een vakbeurs. Zoals vaak denk ik daar op voorhand niet over na: als het interessant lijkt en ik kan iets bijleren dan ben ik er vaak als de kippen bij. Dat de agenda misschien al een beetje overvol zat (of uitpuilde), namen we dan maar voor lief. Het is trouwens toch bijna herfstvakantie, dan kunnen we ook even recupereren. Maar momenteel is het natuurlijk wel even pittig, want het weekend was wel héél erg kort en mijn normale huishoudelijke taken kreeg ik ditmaal uiteraard niet gebolwerkt.

Toen ik het er met mijn ouders over had, bleek dat zaterdagwerk voor hen ook geen onbekende was. Wanneer het precies was afgeschaft, wisten ze niet meer (het blijkt in 1971 geweest te zijn), maar in het begin van hun carrière was het de normaalste zaak ter wereld dat je ook op zaterdag ging werken en enkel op zondag rust had. Dat is uiteindelijk nog maar één generatie geleden. Mijn ouders hebben het dus meegemaakt dat er een werkdag geschrapt werd. Zij hebben mee sociale geschiedenis geschreven.

Het deed me achteraf hopen dat wij misschien de laatste generatie worden die vijf dagen werken. Wie weet wordt de vierdaagse werkweek voor mijn dochters wel het nieuwe normaal. Net zoals het in 1970 onmogelijk leek om van 6 naar 5 te gaan, lijkt het nu een onhaalbare droom dat we vier dagen per week zouden werken. Hoewel uit verschillende experimenten in bijvoorbeeld Zweden of Nieuw-Zeeland intussen al blijkt dat deze werkduurvermindering ontzettend veel voordelen heeft (werknemers zijn minder ziek en boeten absoluut niet in aan productiviteit, integendeel), lopen deze experimenten telkens weer stuk op het (zogenaamde?) financiële kostenplaatje (hoewel dat de Nieuw-Zeelanders niet heeft tegengehouden om het experiment in de praktijk om te zetten).

Een utopie? Misschien wel, maar dat belet Femma niet om de vierdagenweek ook in België een jaar lang uit te testen (ongelooflijk nieuwsgierig ben ik naar de bevindingen). Bovendien zouden Engelse vakbonden en zelfs de Labour-partij een vierdagenweek willen steunen, al werd dit al even snel weer ontkend. Jammer, want ik geloof dat dit radicale voorstel voor een ommezwaai zou kunnen zorgen en voor een betere balans tussen gezin en werk. Heel voorzichtig koester ik een stille hoop dat ik binnen een jaar of 20 aan mijn kleinkinderen kan vertellen dat “moeke” het ooit nog meegemaakt heeft dat er 5 dagen gewerkt werd. Hopelijk kunnen zij dan even raar opkijken als mijn dochters gisteren toen ze oma’s en opa’s wedervaren op een werkzaterdag te horen kregen…

Mag het iets meer zijn?

Volgende zondag trekken we hier in België met zijn allen verplicht naar de stembus. We mogen deze keer onze stem uitbrengen voor onze gemeenteraad en voor de provinciale kieskringen. Intussen zitten we hier al wekenlang in verkiezingsmodus en het begint eerlijk gezegd allemaal een beetje mijn keel uit te hangen.

Laat me heel duidelijk zijn: ik ben fier dat ik mag gaan stemmen, dat ik met hetgeen ik kies een verschil mag maken. Ik zie ook absoluut niet op tegen het kiesritueel zelf. Tot de vorige verkiezingen deden wij dat in ons dorp nog altijd met het potlood op een kiesbrief die we in dat veel te kleine kotje moesten uitvouwen op een veel te klein schapje om de juiste bolletjes te kunnen kleuren. Het is folklore en het blijft iets hebben. Zelfs in de tijden dat we onze dochters nog mee het stemhokje innamen en zij voor het hele lokaal luidop vroegen: “waarom stem jij voor X, mama?”

Ik ben alleen de hele negatieve sfeer kotsbeu. Ik heb het helemaal gehad met de verdachtmakingen, de negativiteit, het zwarte pieten en de persoonlijke aanvallen. Wij stemmen volgende week wie er de komende jaren het beleid mag voeren in onze gemeentes of provincies. Ik zou dan eigenlijk ook graag weten waarvoor we precies stemmen: voor welk beleid staan de verschillende partijen in mijn gemeente? Hoe denken ze over de problemen in onze gemeente waar ik (en met mij vele andere burgers) wakker van liggen? Hoe zit het met onze gemeentefinanciën? Waar gaan we de komende legislatuur ons geld in investeren? Maken we onze gemeente groener? Hoe maken we het verkeer veiliger voor onze fietsende schoolgaande jeugd? Hoe zorgen we voor voldoende kinderopvang en voldoende plek in de rusthuizen voor onze bejaarde medemensen? Is er eigenlijk nog voldoende plek?

Verkiezingen worden meer en meer een populariteitspoll van personen en hoe langer hoe minder van het beleid waar die personen voor staan. Er wordt hoe langer hoe vaker gezegd “stem op mij, want ik ben zus en zo” en veel minder “stem op mij, dan is dit het beleid dat u de komende jaren mag verwachten”. We krijgen de laatste weken ontzettend veel foto’s van kandidaten binnen, maar partijprogramma’s zitten er – op wat sloganeske affiches na – nauwelijks bij.

Nochtans leven we in uitdagende tijden. Er is de opwarming van de aarde, de vluchtelingenproblematiek, de leefbaarheid van onze steden en gemeenten. Onze bevolking vergrijst, hoe gaan we dit opvangen? Er is de moeizame combinatie tussen ons werk en ons privéleven en de uitdeinende epidemie van burn-outs, vooral bij twintigers en dertigers. Het verkeer slibt hoe langer hoe meer dicht. Er is nog steeds te veel ongelijkheid tussen man en vrouw, de rijkdom en macht zijn nog steeds in handen van een te kleine, veel te bevoorrechte groep. En toch hoor ik in verkiezingsshows en in de vele debatten veel te weinig antwoorden. Ik hoor en zie persoonlijke verwijten en aanvallen, maar ik krijg geen beleidspunten, ik krijg geen antwoorden.

Volgende week stemmen we een eerste keer, bevredigende antwoorden gaan we deze laatste verkiezingsweek niet meer krijgen, vrees ik. Maar volgend jaar, in mei, stemmen we opnieuw, ditmaal voor het Vlaamse, federale en Europese parlement. Ben ik naïef als ik hoop tegen dan toch beleidsvoorstellen te krijgen? Om in mei 2019 wel te kunnen kiezen op basis van hoopvolle ideeën en uitgewerkte toekomstprojecten? Om inzage te krijgen in de antwoorden die de partijen willen bieden op de vele uitdagingen die op ons afkomen? En kunnen de dames en heren politici de persoonlijke aanvallen en het zwarte pieten dan achterwege laten? Want nog 6 maanden eenzelfde spektakel als de afgelopen weken hoef ik niet meer. Dat is niet alleen degoutant, het getuigt mijns inziens ook van een verschrikkelijke minachting voor het kiespubliek.

Als de dames en heren politici écht willen dat hun kiezers een rationele en geïnformeerde keuze maken, dan wordt het hoog tijd dat wij als kiezers ernstig genomen worden. Dat zou ik, als plichtsgetrouwe kiezer, ten zeerste waarderen.

Kost onderwijs te veel ?

Leonardo Da Vinci

Leonardo Da Vinci

Deze week weer heel wat berichten/lezersbrieven in de pers over de te hoge kost van het onderwijs. Zo lagen deze week de zwemlessen en de veel te dure bos- of andere klassen en uitstappen zwaar onder vuur. Onterecht volgens mij, maar dat hangt natuurlijk samen met je visie op onderwijs.

Wat moet onderwijs opleveren? De laatste jaren – in de neoliberale visie – wordt er steeds vaker gesteld dat het onderwijs en het bedrijfsleven niet goed op elkaar afgestemd zijn. Scholen leveren immers geen kant en klare werknemers af. Vaak wordt daarbij verwezen naar de technische of beroepsleerlingen die niet de nodige technische vaardigheden onder de knie hebben én daarom eerst nog een intensieve opleiding in het bedrijf zelf moeten ondergaan. Ze zijn dus niet onmiddellijk inzetbaar. Wat overigens ook geldt voor de vele ingenieurs, dokters of godbetert de humane wetenschappers. Hun talenten hebben duidelijk nog wat bijschaving nodig in het bedrijfsleven. De ene al wat meer dan de andere…

Ik huiver eigenlijk een beetje van die (enge) visie op het onderwijs. In de renaissance diende onderwijs leerlingen op te leiden tot “uomi universali”, mensen die van alle markten thuis waren. Ontwikkelde mensen. En dat kan in mijn ogen enkel, als je je als leerkracht niet enkel richt op economische inzetbaarheid van je leerlingen, maar op de volledige ontwikkeling van lichaam en geest. Wil je dat bereiken, dan zijn zwemlessen, bosklassen, uitstappen,… een must. Leerlingen moeten doen, zien, beleven, denken…

Bovendien bieden de meeste scholen betaalbare alternatieven aan voor de (dure?) uitstappen. Op de school van mijn dochter ben je niet verplicht mee op reis te gaan. Wil je niet, moet je wel een alternatief programma op school volgen. Er worden ook verschillende reizen aangeboden, in verschillende prijsklassen en naargelang de interesses van de leerlingen. Ikzelf heb genoten van de kampen (vrijwillig) en de studiereizen op school. De Frankrijk- en Italiëreis waren om verschillende redenen memorabel. Met de vriendinnen op reis, zoveel nieuwe dingen te zien (onder deskundige begeleiding van de leerkrachten of plaatselijke gidsen), te smaken, te lezen, te ontdekken, (te shoppen)…

Is dit overbodige luxe? Volgens mij niet. Het heeft mij gemaakt tot wie ik ben. Het heeft mij onder mijn kerktoren doen uitkomen, het heeft mijn wereld op vele vlakken doen opengaan. Het heeft me leren denken, genieten, durven springen, mijn ogen te openen. Maar misschien is dat net wat niet thuishoort in de neoliberale visie. Misschien staan mijn denken, genieten, mijn open ogen, mijn “zijn” mijn “onmiddellijke economische return” wel in de weg en wordt het onderwijs net daarom zo onder vuur genomen?

Le message passe…

Het bericht Kennis Frans nog nooit zo slecht in de Gazet van Antwerpen deed me deze week in mijn chocolat chaud verslikken (koffie drink ik helaas niet). Verwonderen deed het bericht me allerminst, maar vrolijk word ik er niet bepaald van. Zeker niet toen ik de verklaring van de professor Franse taalkunde las: “de nadruk ligt te weinig op de grammatica”, te veel op het “leren spreken”. Dat heet in de moderne didactiek “het vaardigheidsonderwijs”.

Even wat persoonlijke info: ik ben licentiate Romaanse Talen. In een ver verleden heb ik dus Frans-Italiaans gestudeerd. Met volle overtuiging: ik was en ben dol op zowel Frans als Italiaans. De talen, de klankkleuren, de cultuur, de kunst, de manier van leven en eten, de literatuur, de muziek…

Toen mijn generatie in 1993 wel nog net de helft haalde op de testen uit het artikel, kregen we het niet gezegd. We hadden een goede basis qua vocabulaire en kenden de regeltjes van de Franse grammatica – we hadden met zijn allen zitten vloeken op de “conjugaisons” en vervloekten de in onze ogen onlogische Franse zinsbouw – maar we kregen het niet gezegd. Werden we in Wallonië of Frankrijk gedropt, dan stonden we te stamelen.

En dus kwamen de onderwijsdeskundigen met het vaardigheidsonderwijs als oplossing. Weg met het drillen van vocabulaire of grammatica, de nadruk werd gelegd op het leren spreken. Waar we vroeger eerst een basis aan woordenschat en grammatica erin gepompt kregen, moesten de leerkrachten de leerlingen nu onmiddellijk laten spreken. De bezwaren van de leerkrachten dat je moeilijk kan spreken als je geen basis hebt, werden onder de mat geveegd. Leerkrachten zijn immers bij uitstek conservatief en willen niet weten van verandering. Stel je voor, nieuwe handboeken gebruiken, een nieuwe methode aanleren, nieuwe inhoud aanreiken aan je leerlingen, dat doen leerkrachten helemaal nooit. Sinds de jaren ’60 was er immers helemaal niets meer veranderd in het onderwijs…

Dat was toch hetgeen de onderwijsdeskundigen naar buiten brachten. Dat diezelfde onderwijsdeskundigen over het algemeen pedagogen of onderwijsspecialisten zijn die nooit of al jaren niet meer voor een klas gestaan hebben, wordt ook onder de mat geveegd. In welke job wordt er bij ingrijpende veranderingen geen rekening gehouden met de opmerkingen van de specialisten uit het veld? Nochtans gebeurt dat telkens opnieuw bij onderwijshervormingen. Ook nu weer – bij de hervorming van het secundair onderwijs – wordt er fel geprotesteerd vanwege de leerkrachten, maar wordt dit alweer afgedaan als onwil om te vernieuwen van een bende conservatievelingen. Naar de inhoudelijke motivatie achter de protesten wordt niet geluisterd. Het moet beter uitgelegd worden, de leerkrachten protesteren enkel omdat ze niet goed op de hoogte zijn…

Ik word er echt kwaad van. Ik heb zelf nooit in het onderwijs gestaan, op mijn stage na, maar ik heb ontzettend goede herinneringen aan de vele zeer goede en gemotiveerde leerkrachten die ik gehad heb. Zij hebben me prachtige verhalen verteld, de ogen geopend, ze hebben me leren nadenken én leren genieten van mooie kunst, van schitterende boeken, van citytrips… Ik heb nog steeds ontzettend veel bewondering voor het enthousiasme en de passie waarmee uitstekende leerkrachten hun vak “verkochten”. Ze hebben me geleerd dat het soms moeite kost om iets te bereiken, maar dat de inspanning altijd loont.

De mislukking van het vaardigheidsonderwijs – die van in het begin door de leraars voorspeld was – is dan ook vooral jammer voor een hele generatie leerlingen. De goede bedoelingen ten spijt – leerlingen mondiger maken in een vreemde taal – kan je niet anders dan constateren dat dit ten koste gegaan is van de algemene kennis in de vreemde taal. Waar studenten in 1993 nog zo’n 54 % haalden op een oriëntatieproef Frans is dat 20 jaar later nog een dikke 35 %. Maar waar zit dan precies de winst van het vaardigheidsonderwijs? Zijn ze nu taalvaardiger? Maar hé, de boodschap komt intussen toch over, “le message passe”.

Wij Vlamingen hadden internationaal altijd de reputatie veel vreemde talen uitstekend te beheersen. Ik vind het ontzettend jammer dat dit zomaar te grabbel is gegooid voor een hele generatie. Laat dit dan ook een pleidooi zijn om leerkrachten wat meer echt op hun waarde te schatten als de onderwijsspecialisten die ze zijn. Laat hun stem dan ook telkens opnieuw gehoord worden in de inhoudelijke en vormelijke debatten die er rond het onderwijs gevoerd worden en doe hun inhoudelijk protest dan ook niet af als de conservatieve reflex van een vastgeroeste ambtenaar. Gelooft u nu zelf dat dat een correcte beschrijving is van elke leerkracht is die uw kinderen iets probeert bij te brengen?